Regelgeving

NEN 5128
De luchtdichtheid of luchtdoorlatendheid van de gebouwschil wordt bepaald door de naden en kieren in de gebouwschil. In de energie prestatienorm komt dit tot uitdrukking in de karakteristieke luchtdoorlatendheid qv;10/m². De luchtdoorlatendheid mag conform het Bouwbesluit nooit meer zijn dan 200 dm³/s per 500 m³ gebouwinhoud. Formeel moet de qv;10 worden gemeten, maar in de bouwaanvraag fase is dit niet mogelijk. Er zijn enkele methoden om de qv;10 van te voren in te schatten:

  • indicatieve methode uit bijlage G van de NEN 5128;
  • rekenmethode uit SBR-publicatie ‘Referentiedetails’;
  • richtgetallen.

De norm geeft in bijlage Geen indicatieve bepalingsmethode voor de qv;10, afhankelijk van het bouwtype (metselwerk, gietbeton, houtskelet), woningtype (kap, geen kap of plat dak) en de bouwkwaliteit (goed, normaal of zwak).

Indicatieve bepalingsmethode qv;10 woningbouw



Voor woningen met natuurlijke luchttoevoer en mechanische afzuiging geldt als richtgetal een qv;10/m² van 1,0 tot 1.43dm³/s per m². Woningen met gebalanceerde ventilatie moeten goed luchtdicht worden gebouwd in verband met het goed kunnen functioneren van het ventilatiesysteem. Dit betekent dat aandacht moet worden besteed aan de kier- en naaddichting omdat het ventilatiesysteem anders niet naar behoren werkt; er wordt dan te veel ‘valse’ lucht aangezogen. Als richtgetal kan worden aangehouden voor woningen met gebalanceerde ventilatie een qv;10/m² van 0,625 dm³/s per m². Hoewel metingen in de praktijk lang niet altijd uitwijzen dat deze verhoogde luchtdichtheid wordt gerealiseerd.

In de norm zijn twee ondergrenzen opgenomen: voor woningen met een natuurlijke toevoer en mechanische afvoer is de ondergrens 1.0 dm³/s per m² en voor woningen met gebalanceerde ventilatie 0.4 dm³/s per m².

NEN 2916
Door de Rijksgebouwendienst is onderzocht dat kantoorgebouwen met een dubbele naad- en kierdichting en massieve constructies in de gevel, een luchtdichtheid kunnen bereiken van 200 dm³/s per 3000 m³ gebouwinhoud. Dit wordt ook als een richtwaarde in de NPR 2917 genoemd. Voor kantoren met een netto vertrekhoogte van 2.7m betekent dit dat qv;10;kar/m² vaak 0.18 tot 0.20 dm³/s per m² bedraagt.

In de norm is ook een methode opgenomen waarbij de infiltratie wordt bepaald op basis van de naadlengte, kierlengte, kierklasse, het ventilatiesysteem, de gebouwhoogte en het aantal en type deuren.

Effect van maatregel op EPC
In de referentie tuinkamertussenwoning wordt gebalanceerde ventilatie toegepast, waarbij een goed kier- en naaddichting noodzakelijk is. Als standaardwaarde voor gebalanceerde ventilatie kan een qv10;kar/m² toegepast worden van 0.625 dm³/s.m². Indien er aangetoond kan worden dat er een zeer goede kier- en naaddichting wordt toegepast kan een minimale qv10;kar/m² toegepast worden van 0.40 dm³/s per m². In onderstaande grafiek is het effect weergegeven van de luchtdoorlatendheid op de EPC. Ook is voor een woning met natuurlijke toevoer en mechanische afvoer het verschil in EPC weergegeven tussen een infiltratiewaarde van 1.00 dm³/s.m² en 1.43 dm³/s.m². In deze berekeningen zijn andere installatietechnische uitgangspunten aangenomen dan bij de referentiewoning met gebalanceerde ventilatie zodat de EPC rond de 0.80 ligt.